Dutch

Ik weet het nog

De zeespiegel brak en je handen konden niet anders
dan werktuigelijk als graafmachines kommetjes maken
elke schep die je omkieperde gleed terug tot op je voeten
wie toch sprak van een huis een schoorsteen een tafel
je nagels groeven niets dan een platte etage in het zand.

Ik weet nog hoe de grond trilde en jij stond te zwaaien
met al die getatoeëerde vogels krijsend op je armen
hoe lager stapelwolken hingen hoe wilder de golven
je sleepte handenvol nat zand het brede strand over
de ruitenwissers van je ellenbogen pleisterden de wand.

Ik weet dat zodra de wind stilt je vogels tot rust komen
je meegesleepte zeesterren vallen zacht van de wand
en ik weet hoe bleek je benen die zich uiteen strekken
ik zie de schelpscherven die tussen je tenen uit steken
het enige dat je kunt verbergen is je lichaam in het zand.

Ivens en de wind

Tot een wiek van de molen losdraait
Ivens wacht op een stoel op de wind

tot de punt van een duinpan verkruimelt
op de wind op een stoel wacht Ivens

tot de trein in een rookpluim oplost
Ivens op een stoel wacht op de wind

tot het stof zijn ogen doet tranen
wacht op een stoel op de wind Ivens

tot het zweet op zijn kin opdroogt
op een stoel wacht Ivens op de wind

tot de baarden van kamelen wapperen
tot korrels als vlooien op de vlucht slaan

tot een slinger in een vliegertouw vastraakt
tot zijn wandelstok als golfclub omverslaat

tot het zand borrelt als schuim in de branding
tot het deksel van zijn koffer opengaat

op een stoel op de bergtop wijst Ivens
daar slaapt de wind in een hol in de woestijn.

De zee is paars bij Piraeus

De zee is paars bij Piraeus

Een vlag kruipt uit de klokkentoren
als de wind draait.

Een man stapt over een hond.
Een vrouw wrijft gebogen over haar ooglid.

In een parapluwinkel valt een paraplu van de toonbank.

Op een smalle tak zit een duif
die erafvalt, fladdert en opnieuw gaat zitten
de bes die te ver op het uiteinde van de twijg zit
de tak die doorbuigt, de kraag die opbolt als de duif verschuift.

Een meisje stapt in de metro met een bureaula.

Op het dikke zand aan de branding
schuift een visser horizontaal zijn hengel uit
een fiets staat naast hem op de standaard.

Hij staat wijdbeens alsof hij plast.
Vogelpootafdrukken in het zand.
De hengel kromt boven de zee.

Er loopt een trap de zee in

Er loopt een trap de zee in
een golf slaat over een trede

een schip dat aan zijn kettingen trekt
zijn romp uitzet

een chauffeur opent het portier van de rijdende auto
en spuugt de betelnoot op de wegglijdende grond

een rollende sigaret spuwt vonken in het rond

bladeren kletteren tegen de passerende wagon
een man houdt in de metro zijn helm op

er is de regen die het vuur dooft

er is een hond die over twee schapen waakt
het veld langs draaft

een trap aflopen

je afzetten op een tree.

Er zit bloed in je lippen

Er zit bloed in je lippen
en toch fluit de wind

toch roffelt de metro
onder de tafel zo
dat je hoofd omvalt
en ook een zacht woord
explodeert in je oor

je haren liggen verspreid
over het kleed
toch opent je oog
en meet in het lamplicht
het stof dat trilt in de lucht

en de stof die op je daalt
te klein voor de tafel
te fijn voor de wind.

De tramontane

Voor de kust rust de duiker in zijn verhaal
en tekent kaal de bergwand aan het strand.
De wind snijdt het verhaal en slijt en slijpt
bladeren van de platanen – het raamkozijn.

Ik kwam met de wind mee voor dit verhaal.
De reis vertelde een man liep over de berg
en het verhaal loopt dood op zee. De wind

speelt heer op zijn graf. En de duiker raakt
bekneld tussen het steen, de helpers duiken
op en de wind verplettert de deining de zee.

De duiker schildert windvlagen voor de kust.
De bergwand bloeit. En het graf is een trede
naar het koraal in een spelonk op de bodem
boven de kleurgravure van het bloemgordijn.

Tijdelijke halte

1.

Is dit een stad? Huizen en trams
raken los van elkaar de straat.

Dit is een luifel. Een marmeren zuil.
Een kapsalon die nog ruikt naar jus.

Hier is een zwembad. Een glazen pui.
Een winkelstraat waar het verkeer niet past.

Ze bukt niet als ze door het kikkerbad waadt
en met haar vingers de kruin van het kind aanraakt.

Bij elke beweging aan het fotokopieerapparaat
schiet de schuifdeur van de supermarkt open.

Zo verklaart een passant wat passeren is:
een stad die je verlaat terwijl je er blijft.

2.

Niemand zwijgt langdurig in Bar Ernst.

De vriendin van de uitbater danst
in het midden van de zaak, weerkaatst
multicolore in de gesp die haar taille
oplicht en verengt. Alles draait om haar.

Het zilver boven de bar op de spiegel
de projectie door de rook bloemstukken
in het raam halfgeopend het diascherm
aan lussen lage gordijnen, omwoners

die schichtig voorbijgaan.

3.

Kijk naar het bloed in die bak met lamslever.
De olijfolie in blikken. De ispanak in een krat.

Het televisiescherm dat dobbert in de gracht.

Twee mensen die een gesprek voeren –
hun voorhoofden tegen elkaar geleund.

Bij de man aan het schaafijs kleeft
tussen snor en baard een vloeitje
terwijl hij in de tabak graaft.

Kijk toe hoe het bloed
van het vlees spoelt.

4.

Het is niet waar
je staat maar
stil voor een ruit
is de plaats haast af
als kwam het beeld door
dat je langskwam.

Je moet koud zijn
om iets te tonen
in taal verklaar je
het glas aan de straat
de man en zijn papieren
temperament.

Hekel aan woorden

Brief niet teruggevonden in vuilnisbak
en maar bezorgd om het verschil
tussen wat de lezing wil horen
en de intentie die elders is

en het voelt zo prettig aan
het is zo prettig om te zien
en het suist zo prettig als het tocht hier
maar alle aversies beginnen sympathiek.

Liefkozen als legitimatie tot zwijgen.
Haast imiteren, wegvluchten en om de hoek
het voertuig stallen, rondwandelen, in het water spugen.
Het gewicht van tijd vernietigd door woorden.

Je zou nooit moeten spreken.
Niet meer verbluffen met retoriek.
De traagheid niet verbloemen,
de vluchtigheid te lijf gaan.

Ik kan je niet meer stoppen.
Je kan me niet meer stoppen.
We gaan met nagelvijl en bestek
een boom omkappen.